Het is mooi om dit eerste exemplaar in handen te houden.
Ik had het voorrecht het boek – in digitale vorm- al te kunnen lezen, maar wat mij betreft gaat er toch niets boven een gedrukt boek.
Zeker een boek zoals dit, over een zo bewogen geschiedenis, met zoveel feitenmateriaal en heel veel beeldmateriaal: dat moet je gedrukt zien.
Ik kan u verzekeren: het jarenlange archiefwerk van Peter heeft geleid tot een schat aan wetenswaardigheden. Een ware schatkist voor al diegenen die geïnteresseerd zijn in joodse geschiedenis, in de geschiedenis van Zutphen, in familiegeschiedenissen.
We weten hoeveel belangstelling daarvoor bestaat – kijk maar naar de populariteit van het programma Verborgen verleden. Hoe vaak wordt daarin niet de vraag gesteld of er in de voorgeschiedenis van de betrokkene ook een joods element te vinden is.

Waarom is een boek als dit van belang?

In 1977 verscheen van de hand van de heer Laansma het boek: ‘De Joodse gemeente te Zutphen’. Was hier nog iets aan toe te voegen? Waarom is het van belang de geschiedenis van de Joden telkens opnieuw te onderzoeken?
Een antwoord vond ik in een lezing van rabbijn Tamara Benima, van nov.1993, ter gelegenheid van de herdenking in Deventer van de 50ste sterfdag van Etty Hillesum met als thema:
Leven in de woestijn, Joodse cultuur in een lege sociale ruimte. *

Ik citeer: Er zijn in Nederland niet genoeg joden om een werkelijk samenhangende joodse gemeenschap mee op te bouwen.

Hoezo, er zijn niet genoeg joden?
Er zijn in Nederland dertigduizend joden**, dat is wel een kleine gemeenschap maar toch niet niks! Maar als je er goed over nadenkt, zie je dat er geen sociale consistentie is. […]
Er werden gaten geslagen in het sociale weefsel en je zou zelfs kunnen zeggen dat de 20% die nog wel over was na de oorlog een beetje een samengeraapt zootje was[….]
Behalve een geografische gefragmenteerdheid, geldt hetzelfde  ook op sociaaleconomisch, religieus en ideologisch gebied.
En ze preciseert deze stelling nog eens uitdrukkelijk
p.20:…(er zijn voor mij/ons) geen joden  als leraar, als groenteman, als marktkoopman, niet als buurvrouw, niet als onderwijzer van mijn nichtje, niet als werkgever, niet als advocaat, niet als advocaat van de tegenpartij, niet als huisbaas waar ik de pest aan heb, niet als iemand die me van  de sokken rijdt en die ik daarom uitscheld. De joden die zijn vermoord, hebben geen kinderen kunnen voortbrengen of als ze al kinderen hadden, dan zijn die ook vermoord. Daardoor zijn er voor mij niet voldoende mannen en vrouwen om partners, minnaars, compagnons uit te zoeken. Er zijn geen cafébezoekers waar ik niet mee kan opschieten, geen aardige echtgenoten voor mijn vriendinnen, joods of niet joods, er is niet een voldoende grote groep mannen en vrouwen.[…]
Joods sociaal gezien leef ik in een woestijn, leef ik als na een fikse brand, waarin ik als een van de weinigen ben overgebleven. Overal is het stampvol en toch is het leeg.
(p.22)…. Als ik nu mijn joodse identiteit wil versterken, moet ik naar joodse les gaan, me aansluiten bij joodse verenigingen, joodse evenementen bezoeken, joodse boeken lezen, naar Israël op reis gaan, joodse religieuze dingen doen, etc.  Als ik dat niet doe blijft er niet veel van mijn joodse identiteit over. Voor de oorlog zou ik me hebben kunnen permitteren om al die dingen niet te doen. Ik zou toch wel joods zijn gebleven, want er waren genoeg anderen die een natuurlijke omgeving vormden. Nu wordt de joodse identiteit niet op een natuurlijke manier versterkt of zelfs in stand gehouden, puur door het gemis van de anderen.”(einde citaat)

Joods: Het was heel lang – ik denk tot ongeveer medio jaren ’70- eigenlijk geen thema. Misschien beter gezegd: een te pijnlijk thema. Er werd voornamelijk over gezwegen.
In de eerste 30 jaar na de oorlog was er ook nauwelijks aandacht voor wat er met de Joden gebeurd was.
Ook niet in eigen kring.
We moesten verder, niet terugkijken, nergens over praten.
Dat pas in 1983 het HC Kamp Westerbork werd geopend illustreert dit.

We zijn inmiddels 76 jaar na het einde van WOII. Er is wel iets veranderd.

Er is meer aandacht voor identiteitskwesties in het algemeen.
Er is ook in Joodse kring meer mogelijk – met name Joods Maatschappelijk Werk doet op dat gebied heel veel. Er is ook een organisatie zoals Crescas (Joods Educatief Centrum) die cursussen en lezingen aanbiedt, het Joods Historisch Museum/Joods Cultureel Kwartier biedt veel mogelijkheden om informatie en kennis over Joden en Jodendom te vergaren.
En toch is de analyse van Benima m.i. in essentie nog steeds juist. Dit is niet de plaats en het moment om daar veel uitgebreider op in te gaan.

Maar bijvoorbeeld de discussie rond de spreker op 4 mei is daar ook een illustratie van.
Het was Robert Vuijsje die in de NRC (26.01.’21) schreef over de ‘ontjoodsing’ van de Nationale Dodenherdenking.
Hij constateerde dat onder de twaalf leden en twee adviseurs in het bestuur van het Nationaal Comité  4 en 5 mei slechts twee Joodse namen te vinden zijn.

Is dat erg ?

Ja, ik vind dat erg.
En tegelijkertijd besef ik dat het vrijwel onmogelijk is om “namens de joodse gemeenschap” te spreken.
Want:  bestaat er wel zoiets als een joodse gemeenschap?
Ik denk dat studies zoals het boek van Peter Kooij daar een antwoord op geven. Peter heeft op basis van 5 jaar archiefwerk heel veel gegevens: feiten, zoals hij zelf benadrukt, verzameld en toegankelijk gemaakt. Zeer waardevol.
Ook de grote hoeveelheid beeldmateriaal: foto’s, afbeeldingen van briefhoofden, oude documenten, geeft een breed en levendig beeld van een geschiedenis die vrijwel geheel is uitgewist.

Als we de geschiedenis van Joods Zutphen bezien, wat zien we dan?
In de eerste plaats: een kleurrijk  beeld met mensen van allerlei pluimage: van vromen, liberalen, afvalligen en bekeerlingen, van Prins Karnaval (ja zeker dat bestond: een Joodse Prins Karnaval) tot vrijmetselaars.
Ook sociaaleconomisch was er een enorme variatie: marktkooplieden natuurlijk,  de bekende hak-, pak- en zakjoden, maar ook succesvolle (en minder succesvolle) ondernemers, kunstenaars, leraren op allerlei vlak en niveaus.
Het aantal joodse verenigingen en organisaties was groot: Peter beschrijft er 24 (voor de oorlog). Na de oorlog zijn daar nog 9 van over.

In die pluriformiteit bestond een gemeenschappelijke basis, vaak zonder dat mensen zich daar bewust van waren. Die bestaat nog steeds, maar door de enorme kaalslag die het gevolg is van de Sjoa, is de dagelijkse werkelijkheid nog altijd een sociale leegte, een woestijn zoals Benima die beschreef.
Het besef over hoeveel er verloren ging wordt gedocumenteerd in boeken en studies zoals dit boek van Peter Kooij.
We moeten “Het verleden als bouwmateriaal voor de toekomst gebruiken” zei Amos Oz, in zijn rede bij het aanvaarden van de Vredesprijs van de Duitse boekhandel, (FAZ 5 okt. 1992).
Maar daarvoor moeten we het verleden wel kennen.

Een ander aspect van het beschrijven van deze geschiedenis is, zoals Peter zelf verwoordt: dat sommige aspecten van de geschiedenis – waarop echter gelukkig niet de nadruk ligt – onmiskenbaar betekenis hebben in onze actualiteit. De omgang met vluchtelingen en het sluiten van de ogen voor wat er elders aan ellende plaats vindt: het is van alle tijden.
En wat ook van alle tijden is: uitingen van diep ingeslepen antisemitische vooroordelen. Het is verbijsterend dat het maar niet lukt die uit de wereld te helpen. Ondanks alle inspanningen in het onderwijs en ook daarbuiten om met name jonge mensen kennis bij te brengen over de oorsprong en de gevaren hiervan.
Toch mogen we de moed niet opgeven. Ik houd me aan de opdracht dat we moeten blijven proberen de wereld een beetje beter te maken: tikkoen olam. En al kunnen we het werk niet afmaken, dat mag ons niet beletten het te blijven proberen. (Spreuken der Vaderen 2.15-16): “het is niet jouw verantwoordelijkheid het werk te voltooien, maar je mag je er ook niet aan onttrekken”. 
Peter heeft dat op zijn manier zeker ook gedaan. Wat brengt iemand er toe om als ‘buitenstaander”, een taak op zich te nemen zoals deze?  Desgevraagd zei Peter: daarop is geen eenduidig antwoord te geven. (Dat was overigens een citaat van Renée Koot)
Peter is er niet voor teruggeschrokken en daar mogen wij hem dankbaar voor zijn. Bij zo’n waagstuk hoort overigens ook  dat het niet helemaal zonder missers verloopt – maar dat zij hem bij voorbaat vergeven!
Ik had op mijn middelbare school een leraar Duits die als motto had: “Eén fout is het kenmerk van het ware” – dus als je één fout in je thema maakte, kreeg je toch een 10.
Dat lijkt me een goed uitgangspunt… in het algemeen en ook voor een boek als dit.

Het is een goed gebruik om in een Joods huis een klein deel onbewerkt te laten: een Zecher le churban – een herinnering aan de onvolmaaktheid van de wereld, zolang de tempel niet is herbouwd, zolang de messias niet gekomen is.
Niets is perfect – misschien is dat een kleine troost voor de onvolmaaktheden, ook aan deze middag.
In de Joodse traditie is het vertellen van verhalen heel belangrijk. Wij vertellen elkaar de oude verhalen, de verhalen uit het verleden telkens opnieuw, van generatie op generatie, telkens in het licht van het heden, het hier en nu.

Morgenavond is het Seideravond, de avond waarmee het Pesachfeest begint. Dan vertellen we elkaar het verhaal van de uittocht uit Egypte en wij vertellen het zo, alsof we zelf uit Egypte vertrokken zijn.
Daarom sluit ik af met een verhaal:

Telkens wanneer de roemrijke rebbe Jisroël Baäl Sjem Tov zag dat een ramp de joden bedreigde, ging hij het grote bos in, naar een bijzondere plaats, om daar te bidden. Hij stak een vuur aan en sprak een speciaal gebed uit. Daarmee bewerkte hij een wonder, zodat de ramp werd afgewend.

Wanneer in latere tijden zijn leerling, de gevierde Magid van Mesritz, om dezelfde reden de noodzaak voelde bij God om genade voor zijn volk te smeken, ging hij naar dezelfde plaats in het grote bos. Daar placht hij te zeggen: ‘meester van het heelal, luister naar mijn stem! Ik weet niet meer hoe ik het vuur moet aansteken, maar ik kan het speciale gebed nog zeggen.’ En weer werd het wonder bewerkt zodat de ramp werd afgewend.

Nog later, toen rebbe Moshe Leib van Sassov de pleitbezorger voor zijn volk was, ging deze het grote bos in en sprak: ‘ik weet niet hoe het vuur moet worden aangestoken en ik ken het speciale gebed niet, maar ik weet dat dit de juiste plaats is en dat moet toereikend zijn.’
Het was toereikend en het wonder werd bewerkt.

Daarna viel de mitswe, de opdracht, toe aan rebbe Jisroël van Rizhin. Zittend in zijn leunstoel, zijn hoofd in zijn handen, sprak hij God aan: ik ben niet in staat het vuur aan te steken en ik ken het speciale gebed niet, noch weet ik waar de juiste plaats in het grote bos is. Ik kan niet méér doen, dan het verhaal vertellen en dat moet voldoende zijn.’ En het was voldoende.

(naverteld door Elie Wiesel, Vuur in de duisternis, Utrecht/Antwerpen, 1983, p.150)


* In: “Etty Hillesum ’43-’93, teksten van lezingen gehouden in de Herdenkingsweek november 1993 te Deventer”, Werkgroep Etty Hillesum ’43-’93, Boekhandel Praamstra, Deventer, ISBN 90-70575-19-1

** Aantallen Joden: In Nederland op dit moment (2021) ongeveer 40.000, daarvan halachisch 30.000, ruim 10.000 vaderjoden, lid van een kerkgenootschap: bijna 9.000 (daarvan volwassenen 7500)